Creative Writing MA

2019-2020

Doel vak

Het streven is studenten inzicht te geven in een aantal centrale
literaire begrippen en literaire technieken zodat ze zelf fictie leren
schrijven van een behoorlijk technisch niveau. Het gaat hierbij om
scheppend proza. Aan het eind hebben de studenten een afgeronde
fictionele tekst geschreven, hetzij een kort verhaal, hetzij een
afgerond romanfragment. Studenten krijgen inzicht in hoe fictie werkt
vanuit het perspectief van de maker, zodat ze zich kunnen bekwamen in
het vak en de kunst van het schrijven.

Inhoud vak

In een reeks werkcolleges worden een aantal centrale theoretische
begrippen uit de literatuur uitgediept, mede aan de hand van het
cursusboek van James Wood. Speciale aandacht zal daarbij besteed worden
aan het bewustzijn van personages in vertellingen en het karakter van
monologen en dialogen; de manier waarop sympathiserende identificatie
met personages tot stand komt; waarheid, gewoonte en realisme in de
literatuur. Daarnaast wordt de student uitleg gegeven van verschillende
technieken die in fictionele teksten worden aangewend. Dat gebeurt aan
de hand van de opgegeven literatuur; verder door middel van oefeningen;
en tot slot door middel van het zelf schrijven van een fictionele tekst
die elke week in omvang groeit. Er wordt uitleg gegeven over en geoefend
met essentiële literaire technieken en tactieken. De aandachtspunten
zijn daarbij:
- literair taalgebruik: wat is dat en hoe werkt dat; wat maakt een
metafoor succesvol; hoe zijn verschillende taalregisters (bijvoorbeeld
het schakelen van meer verheven taalgebruik naar volkstaal en terug) van
invloed op de inhoud van wat wordt verteld;
- literaire details: wat voor details (observaties) zijn effectief in
een literaire tekst en hoe werkt dat precies;
- perspectief: wat is dat en hoe werkt het; hoe maakt een schrijver de
keuze tussen de ik-vorm en de hij-vorm of waarom kiest hij eventueel
voor een ander perspectief;
- het schrijven van dialogen;
- het schrijven van monologen in proza: de monologue intérieur en de
stream of consciousness;
- de opbouw van een plot; en tot slot:
- wat is een literair personage eigenlijk.

De docent geeft gedetailleerde toelichting bij de bovengenoemde
onderwerpen. De kennis die de student zo verkrijgt, zal moeten worden
toegepast in het verhaal of het romanfragment waaraan de student werkt.
De student krijgt feedback op zijn tekst. De eerste bijeenkomst is
inleidend en informerend, tijdens de laatste bijeenkomst worden de
verhalen en romanfragmenten ingeleverd (die deadline is onverbiddelijk)
en wordt er een tentamen afgenomen. De helft van de overblijvende
werkgroepbijeenkomsten zal theoretisch van aard zijn en in de andere
helft zal praktisch worden ingegaan op de groeiende teksten. Bovendien
zullen er tijdens de bijeenkomsten oefeningen worden gedaan op het
gebied van de schrijftechniek en zullen er literaire fragmenten worden
gelezen, besproken en toegelicht. Bovendien vindt er een excursie plaats
naar een literaire uitgeverij.

Onderwijsvorm

Het college bestaat uit een wekelijks werkcollege van 2 uur. Er is een
extra spreekuur van de docent creatief schrijven. Daarnaast nemen de
studenten twee keer deel aan een voorbereidend werkcollege van 2 uur
'Schrijvershuisbezoeken' en bezoeken ze vervolgens twee schrijvers (2 x
een middag). Daarnaast wordt er een middag besteed aan een excursie naar
een literaire uitgeverij.

Toetsvorm

1) Actieve participatie en aanwezigheid (80% van de colleges); de
student moet mee kunnen discussiëren en er blijk van geven dat hij met
inzicht kan praten over de in de oefeningen behandelde schrijftechnieken
en de opgegeven
theoretische literatuur. Onder actieve participatie wordt ook verstaan
dat de student zich aan de opgegeven deadlines houdt.
2) Een afgeronde fictionele tekst van ongeveer drieduizend woorden – ook
als er sprake is van een romanfragment moet er worden getoond dat er
naar een zekere afronding kan worden toegewerkt.
3) Een pastiche van het werk van een van de bezochte schrijvers alsmede
een stijlanalyse (max. 400 woorden).
4) Een essay waarin twee verschillende schrijfmethoden worden
vergeleken.

De verdeelsleutel bij het toekennen van het eindcijfer is als volgt: 1)
moet voldoende zijn, anders worden de opdrachten niet beoordeeld, 2)
kort verhaal: 50% van het eindcijfer, 3) pastiche: 20% van het
eindcijfer, 4) essay: 30% van het eindcijfer.

Vereiste voorkennis

Bacheloropleiding die toegang geeft tot de master CIW, afstudeerrichting
Schrijven en vertalen (specialisatie Schrijven) of Bacheloropleiding die
toegang geeft tot de master Nederlandse letterkunde en het literaire
veld.

Literatuur

Verplicht:
James Wood, How Fiction Works (Jonathan Cape, London, 2008) of de
Nederlandse vertaling Hoe fictie werkt (Querido, Amsterdam, 2012); zelf
aan te schaffen. In de studiehandleiding zal nadere literatuur worden
opgegeven.

Doelgroep

Dit vak is uitsluitend toegankelijk voor masterstudenten CIW: Schrijven
en Vertalen (specialisatie Schrijven) en voor masterstudenten
Nederlandse
letterkunde en het literaire veld.

Overige informatie

Aanwezigheid (minimaal 80%) en actieve deelname zijn verplicht.

Algemene informatie

Vakcode L_NNMAALG001
Studiepunten 6 EC
Periode P2
Vakniveau 400
Onderwijstaal Nederlands
Faculteit Faculteit der Geesteswetenschappen
Vakcoördinator prof. dr. J.H.C. Bel
Examinator prof. dr. J.H.C. Bel
Docenten prof. dr. J.H.C. Bel

Praktische informatie

Voor dit vak moet je zelf intekenen.

Voor dit vak kun je last-minute intekenen.

Werkvormen Werkcollege
Doelgroepen

Dit vak is ook toegankelijk als: