Interventie in Onderzoek en Praktijk

2019-2020

Doel vak

Studenten
• Kunnen een kritische beschrijving geven van de typen onderzoek
(methoden en technieken) waarmee de pedagogische wetenschap probeert te
begrijpen waardoor interventies hun effect bereiken (actieve
componenten);
• Maken kritisch onderscheid tussen onderzoek naar interventies en
hulpverleningspraktijken op basis van het medisch model en het
contextueel model (meta-theorie);
• Kunnen theoretische en empirische ondersteuning van effectief geachte
interventies kritisch analyseren en beoordelen;
• Kunnen methoden beschrijven voor de ontwikkeling van professionele
kennis en vaardigheden en voor duurzame innovatie;
• Kunnen helder en bondig schriftelijk en mondeling hun analyse geven
van theoretische achtergronden, methoden, resultaten, conclusies en
discussiepunten van onderzoek naar interventies

Inhoud vak

Als je al in de pedagogische praktijk werkt of stageloopt zal je je vast
wel eens afgevraagd hebben met welke reden bepaalde interventies of
methodieken wel of niet worden ingezet. Misschien heb je deze vraag ook
al wel eens voorgelegd aan je stagebegeleider of collega. Dit zijn
relevante vragen.
De pedagogische praktijk verandert immers voortdurend en daar horen ook
andere interventies bij.
Een pedagogische interventie is een tussenkomst, of actieve handeling,
als antwoord op pedagogische hulpvragen of met het doel
opvoedingsproblemen te verlichten of te voorkomen. Als het goed is
hebben pedagogische interventies een rationele basis. Dit betekent dat
een analyse van de opvoedingsvraag en opvoedingscontext heeft geleid tot
een weloverwogen keuze voor de procedures en hulpmiddelen van de
interventie. Daarvoor is belangrijk dat er voldoende goed onderbouwde en
op effectiviteit getoetste methoden van hulpverlening zijn.

Echter, niet alle interventies hebben hetzelfde effect. Sterker nog,
niet alle interventies werken voor iedere situatie op dezelfde manier.
Uitleg waarom sommige benaderingen effectiever zijn dan andere zijn
grotendeels speculatief gebleven. Voor sommige benaderingen is pas een
theoretische uitleg gevonden nadat deze werden toegepast. Niettemin,
theoretisch inzicht in de processen waardoor interventies hun effect
bereiken is noodzakelijk om de hulpverlening te verbeteren en
consequenties te kunnen trekken uit het succes van de behandeling voor
wetenschappelijke theorie. Steeds meer worden opvoeders en kinderen zelf
betrokken in de keuze voor de meest geschikte interventie, en dan is het
belangrijk om inzicht te hebben in de componenten en kenmerken van
interventies, zodat deze optimaal passen bij de vragen en voorkeuren van
opvoeders en kinderen.

In deze cursus staat het leren van de begrippenkaders waarmee
interventies en hun
werkzaamheid worden besproken centraal, en formuleren studenten een
kritische reflectie op een zelfgekozen interventie.

Onderwijsvorm

Dit vak kent zeven interactieve hoorcolleges van 2 uur per week,
aangevuld met opdrachten die met behulp van peerfeedback worden
beoordeeld.

Toetsvorm

De toetsing bestaat uit een tentamen (Open en MC vragen) (75%) en een
poster (25%) waarin de theoretische en empirische onderbouwing van een
zelf-gekozen interventie kritisch wordt besproken.

Literatuur

Voor dit vak wordt gebruik gemaakt van wetenschappelijke publicaties.
Deze staan in de studiehandleiding en op Canvas vermeld en worden door
studenten zelf online opgezocht.

Doelgroep

Dit vak maakt deel uit van de master Orthopedagogiek. In principe staat
het vak open voor studenten van andere masters. In overleg met de
vakcoördinator kan bepaald worden of deze student voldoende
basiskennis/-ervaring heeft om deel te nemen.

Algemene informatie

Vakcode P_MINTOP
Studiepunten 6 EC
Periode P4+5, P4
Vakniveau 400
Onderwijstaal Nederlands
Faculteit Fac. der Gedrags- en Bewegingswetensch.
Vakcoördinator dr. A.M. Willemen
Examinator dr. A.M. Willemen
Docenten prof. dr. C. Schuengel
dr. A.M. Willemen

Praktische informatie

Voor dit vak moet je zelf intekenen.

Werkvormen Hoorcollege